1. de sprong

Ons leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.

De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren. Een geweldige bron over dat leven vormt het dagboek van Otto van Eck, die daar op tienjarige leeftijd onder druk van zijn door de Verlichting bezielde ouders aan begon, in 1791. Daar ontleen ik bovenstaande voorbeelden aan.

Dit leven wordt aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet door een kleine minderheid geleefd, maar door een groot deel van de Nederlanders. Die moeten het wel zonder personeel doen. Dat is namelijk vervangen door technologie. De huidige Nederlanders zijn gezonder en worden ook een stuk ouder. Otto van Eck leefde in overvloed – maar hij overleed op zijn zeventiende, aan tuberculose.

De levensstijl van de absolute bovenklasse is van zo’n beetje iedereen geworden. Dat is een sprong die nog niet vaak is voorgekomen in de geschiedenis. Misschien is de sprong zelfs uniek. Wat alvast één reden is dat de Nederlanders niet goed raad weten met de overvloed waarin ze leven. Die sprong kwam uit het duister, zoveel is zeker. In de eerste jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt Europa volledig in puin. En zeker tot eind 1947, de start van de Marshallhulp, had het lot van Europa heel anders kunnen uitvallen. De sprong is dus ook van vrij recente datum. Daarom kunnen veel Nederlanders hem traceren in hun eigen familiegeschiedenis.

Als de sprong ergens mee te vergelijken is, dan is het met de eerste helft van de zeventiende eeuw. Simon Schama schreef daarover het meesterlijke The Embarrassment of Riches, in de Nederlandse vertaling verschenen onder de tijdloze titel Overvloed en Onbehagen.

Schama schildert een jonge natie, die in een periode van een paar decennia zijn eigen identiteit uitvindt, en tegelijk het rijkste land ter wereld wordt. Cultuur en overvloed van de Verenigde Provinciën zijn dan ook niet zonder elkaar te begrijpen. De immense populariteit van verhalen en illustraties van schipbreuken in de zeventiende eeuw komt natuurlijk doordat de welvaart van de natie op zee werd verdiend. Maar die verhalen kregen gaandeweg extra gewicht: een schip werd een metafoor voor het land zelf. En het beeld van een schipbreuk werd een herinnering aan het feit dat de plotselinge rijkdom ook zo weer verdwenen kon zijn. De hartstochten die bij overvloed horen – afgunst, begeerte, luiheid – bedreigden die overvloed immers zelf. Gruwel- en heldenverhalen over zinkende schepen hielpen die hartstochten te reguleren. Een gestrande walvis is behalve een geweldig geschenk van traan en vlees ook een waarschuwing: de zee is onvoorspelbaar, net als het lot. En dus wemelt het in de zeventiende eeuw van de anekdotes en plaatjes van gestrande zeezoogdieren.

De huidige Nederlanders kunnen zo’n les in noodlotsbezwering wel gebruiken.

We zijn namelijk in crisis.

Maar in wat voor crisis eigenlijk?

2. de crisis

Als we het in Nederland tegenwoordig hebben over de crisis, dan bedoelen we de economische tegenspoed die een groot deel van de westerse wereld is overkomen nadat de Amerikaanse huizenmarkt instortte in 2008. Wat Nederlanders merken van die crisis was aanvankelijk nauwelijks aan te wijzen. Inmiddels weten we dat maar al te goed. Het is lastiger om geld te lenen, overal vallen ontslagen en de onzekerheid spat van de krantenpagina’s.

Je zou bijna vergeten dat er net een jaar eerder een andere crisis was uitgeroepen. Met een film onder de dreigend – bescheiden titel An Inconvenient Truth (2007) zette Al Gore schijnbaar eigenhandig de ecologische crisis van deze tijd in het centrum van de belangstelling: de klimaatverandering. Dat was al een crisis voordat Gore erover begon. En het is een crisis gebleven. Ook voor Nederland.

Beide crises zijn gekoppeld aan onze overvloed. Je zou kunnen zeggen dat ze ieder op een eigen manier de grenzen van onze welvaartsgroei lijken te markeren. De economische crisis lijkt een einde te maken aan de ‘normale’ groeicijfers die de Westerse landen lieten zien. Het effect is dat de zekerheden van onze materiële welvaart op losse schroeven komen te staan: de waarde van onze huizen en pensioenen. De ecologische crisis maakt zichtbaar dat groei altijd ten koste van iets gaat. Als het niet de arbeiders zijn, dan is het wel onze leefomgeving. En als het niet de onze is, dan is het er wel één aan de andere kant van de wereld.

De economische en de ecologische crisis hebben nog wat gemeen. De democratische politiek in West Europa heeft de grootste moeite om er antwoorden op te formuleren. Politici lijken met hele andere dingen bezig te zijn. Religie. Migratie. Nationale cultuur. Zichzelf. Ze zitten hoe dan ook klem tussen extreem complexe opgaven die ze zelf niet goed begrijpen en kiezers die onrealistisch simpele oplossingen verlangen voor op zichzelf reële problemen. De crises van de economie en van de ecologie maken zo nog een crisis zichtbaar, een politieke.

De oplossingen voor de crises hebben veelal te maken met wat we met onze welvaart gaan doen. Hoeveel leveren we in om de ecologische crisis het hoofd te bieden? In welke mate verbinden we het lot van onze verzorgingsstaat aan die van landen elders in Europa? Is groei belangrijker dan armoedebestrijding? Hoe ziet een politiek eruit die niet ‘meer’ belooft maar ‘genoeg’ voorschrijft? Die vragen zijn niet exclusief Nederlands, ze gelden voor heel Europa en deels voor de VS. De antwoorden die er in Nederland op worden gegeven, hebben een nadrukkelijk Nederlands karakter.

Een drievoudige crisis dus, die gaat over wat we met onze welvaart doen.

We weten alleen niet goed wat welvaart met ons doet.

3. conventional wisdom

Culturele en persoonlijke zelfanalyse is een populaire stijlfiguur in de media en een breed gedeelde Hollandse hobby. De paradox is dat de welvaart die de Nederlanders de tijd en de ruimte geeft om zichzelf te leren kennen, nauwelijks onderwerp is van al die analyses.

Denken en spreken over welvaart gebeurt vaak tegen een achtergrond van populaire publieke opvattingen. Daar moet je ‘doorheen’ als je op zoek bent naar de diepere lagen in de Nederlandse collectief onderbewuste. En tegelijk wijzen die opvattingen je de weg naar precies die lagen.

Populaire overtuigingen zijn geworteld in het verleden. Wrijving met de praktijk van het hedendaagse leven is niet gek, het is zelfs natuurlijk. Die altijd licht verouderd voelende overtuigingen vormen wel het richtsnoer voor beleid en beslissingen in bedrijf en politiek. En daar verandert het wrijven in wringen.

De econoom John Kenneth Galbraith introduceerde in The Affluent Society (1958) de notie van conventional wisdom. Dat is het geheel aan geaccepteerde ideeën over de economie en de maatschappij – ideeën kortom die kloppen met onze populaire overtuigingen, en die niet noodzakelijk gestoeld zijn op waarnemingen en feiten. The Affluent Society is één grote afrekening met de conventionele wijsheid die Galbraith waarneemt in de VS in de tweede helft van de jaren vijftig. Het is tot op de dag van vandaag een bestseller. Dat pleit voor Galbraith’s inderdaad geweldige intellect. Maar het illustreert ook dat conventionele wijsheid taai is.

Een hardnekkig en actueel voorbeeld van conventionele wijsheid is de mythe van autonome consumenten en de dienende, volgende producenten. Het creëren van vraag is in onze economie net zo belangrijk als het creëren van aanbod en beide behoren tot de kerntaken van bedrijven. ‘U vraagt, wij draaien’ is een sprookje, dat een mechaniek verhult dat ons geweldige welvaartsgroei heeft gebracht. Het sprookje staat begrip echter in de weg en maakt onze waarneming selectief. De zorgvuldig geregisseerde vraag van consumenten wordt verward met autonome nood bijvoorbeeld. Of we accepteren ten volle dat de productie van consumptiegoederen wordt betaald met door privépersonen geleend geld, overtuigd als die zijn geraakt dat ze die goederen daadwerkelijk nodig hebben. Terwijl armoede in Nederland (en elders in het Westen) onlosmakelijk is verbonden met niet terugbetaalde consumentenkredieten.

Het sprookje van de autonome consument benoemt bovendien de marktvraag tot belangrijkste graadmeter van wat de samenleving bezielt en nodig heeft. Geen wonder dat politici dus voortdurend in het duister tasten over wat hun kiezers willen. Wat ze weer niet weerhoudt om tegelijk gretig gebruik te maken van de marketingkennis van de grote bedrijven. De politiek als product en de burger als consument ervan – zonder twijfel lopen er hier in Den Haag politici rond die er zo over denken.

Politici zijn hoe dan ook meesters in het creëren van misstanden – de marktvraag van het politieke leven. Het wordt echter steeds lastiger misstanden te vinden.

4. de vis en het water

In 2008 vroeg de Franse president Nicolas Sarkozy aan de economen Amartya Sen, en Joseph Stiglitz om nu eens uit te zoeken wat de beste maatstaven zijn voor onze welvaart. ‘Uitzoeken’ is in dit verband meer ‘op een rijtje zetten’. Maar omdat Sarkozy het vroeg, en dan ook nog aan twee geleerden van wereldniveau, kreeg het rapport van de Commission sur la Mesure de la Performance Économique et du Progrès Social toch nog enig gewicht.

De commissie noemt acht factoren die bijdragen aan een goed leven van de mensen in een land. Gezondheid. Onderwijs. Persoonlijke activiteiten. Politiek & bestuur. Sociale relaties. Milieu. Persoonlijke veiligheid. Economische zekerheid.

Stel je een land voor dat op al die punten voldoende scoort, zeg een zeven-en-een-half op een schaal van tien.

In dat land genieten veel mensen een lang leven in een goede gezondheid. Ieder kind gaat naar school en zit daar het overgrote deel van zijn of haar jeugd op. De inwoners van dat land hebben veel kansen om hun eigen tijd in te delen, tijd, die maximaal voor een kwart besteed hoeft te worden aan werk. De politiek is toegankelijk, zowel in passieve als in actieve zin. Er is weinig corruptie. Vertrouwen speelt een grote rol in sociale en zakelijke relaties. De kwaliteit van de leefomgeving staat onder druk, maar regelgeving en nieuwe technologie zorgen ervoor dat het milieu stap voor stap beter wordt. De kans om het slachtoffer te worden van een misdrijf neemt af. Slachtoffers krijgen ondersteuning. Daders en verdachten genieten rechtsbescherming en rechters zijn onafhankelijk. Tenslotte stijgen de inkomens van de inwoners decennium na decennium. Het stelt een groot deel ervan in staat om huizen te kopen of betaalbaar te huren en naar believen in te richten, auto te rijden, mee te gaan met modetrends en bij vele gelegenheden cadeaus te geven. De kans om dood te gaan door ondervoeding is nul. De onzekerheden van het leven zijn beperkt. De inwoners hebben de ruimte en ze hebben de tijd.

Dit land lijkt nogal op het huidige Nederland – maar niet op de beschrijvingen ervan. De conventionele wijsheid van burgers, politici, journalisten en belangenbehartigers luidt immers nog altijd dat we in schaarste leven en de nood nabij is. De drievoudige crises produceert genoeg tijdelijke bevestiging van die wijsheid.

Toch zijn er uitgesproken stemmen die aandacht vragen voor de onhoudbaarheid van de notie dat we in schaarste leven. Paul Schnabel, directeur van het SCP stelde recent:

‘Vergelijkingen met het verleden laten zien welke ontwikkelingen we hebben doorgemaakt. Vergelijkingen met andere landen maken het mogelijk de eigen plaats te bepalen te midden van anderen. Beide vergelijkingen laten zien dat er weinig reden is om naar het verleden te verlangen of naar elders af te reizen. (…) Met de Noordse landen scoort Nederland op vrijwel elke subjectieve of objectieve beoordelingslijst heel hoog op de positieve waarden. Dat wordt te weinig gezien en dus ook te weinig gewaardeerd. ‘

Filosoof Peter Sloterdijk trekt het breder en vraagt zich in Schuim (2009) af:

Maar als het doorslaggevende verdringingsproces van onze tijd nu eens in werkelijkheid betrekking heeft op onze eigen welvaart?

De vis zal de laatste zijn om het water te ontdekken. We kijken overal, maar omdat de welvaart ons omhult, zien we haar niet. Dat geldt des te meer voor wat welvaart met ons doet. Zonder de erkenning van de uitzonderlijke weelde waarin we leven en zonder kennis van de effecten die die toestand op ons heeft, kunnen we geen keuzes maken over hoe onze welvaart er in de toekomst uit moet zien.

Tijd dus, om in het water te duiken en te onderzoeken hoe nat we zijn geworden.

Advertenties