Elk jaar is in Leiden het Veersymposium, een wonderlijke ontmoeting tussen studenten en ‘vormgevers’ van de maatschappij. Het thema dit jaar: Verdwaald in Overvloed. Ik gaf vorige week de openingslezing voor de studenten.

 

1.

Er doet over jullie, de generatie die eind jaren tachtig, begin jaren negentig is geboren een tweetal verhalen de ronde.

Het eerste is dat van de verloren generatie. De eerste sinds de negentiende eeuw die het slechter krijgt dan de generatie van zijn ouders. Opgegroeid met ongekende weelde, ongekende mogelijkheden, hoger en beter geschoold dan ooit, wereldwijs, boomlang en met voortreffelijke levensverwachting – maar met de slechtste vooruitzichten in decennia. Want er is straks weinig meer te doen. En als je dan een baan krijgt, biedt die geen zekerheid en kun je van het salaris geen huis meer betalen. Jaren van onbetaalde stages dwingen je tot day jobs onder je niveau en het tot de laatste cent opmaken van je spaartegoeden – die je niet hebt, want anders had je geen torenhoge studieschuld gehad.

Dit is geen fantasieverhaal. Met twee uur vliegen sta je er middenin. Spanje kent 1,6 miljoen jonge werkelozen. En 52% van de mensen tussen de 16 en 24 is werkeloos. Een groot deel van hen zal hun studieschuld niet kunnen afbetalen en geen huis kunnen kopen. Een gezin stichten wordt te duur. Mannen en vrouwen van in de dertig gaan terug naar hun ouders. Het afgelopen jaar is een half miljoen Spanjaarden vertrokken naar een buitenland.

Het tweede verhaal is dat van de verwende generatie. Opgegroeid met ongekende weelde, ongekende mogelijkheden, hoger en beter geschoold dan ooit, wereldwijs, boomlang en met voortreffelijke levensverwachting – maar slap, kwetsbaar en arrogant. Als kinderen van de eerste generatie die opgroeide met de verworvenheden van de jaren zestig zijn jullie onbegrensd opgevoed. En dat in een periode van ongebreidelde groei. Geen wonder dat jullie verdwalen in overvloed.

In de VS, waar de werkeloosheidscijfers beter zijn dan in Spanje, maar waar de crisis maar voortwoekert, verscheen vorig jaar ‚A Nation of Wimps’ – een Mietjesnatie. Het punt van dat boek: Jonge Amerikanen blijven hangen in adultescence, als afhankelijke pubers gaan ze hun volwassenheid in. Dat boek past in een hele reeks publicaties over de totaal verwende Generatie Y die daar nu opgroeit. Met dank aan de ouders die afwisselend ‚snowplow’, of ‚helikopterparents worden genoemd. Er is in de VS een hele industrie aan het ontstaan rondom het heropvoeden van problematisch verwende twintigers.

Stel dat beide verhalen kloppen, niet alleen in Spanje, of in de VS, maar hier, in Nederland.

Dan hebben jullie een groot probleem.

Verdwaald in overvloed, in een periode waarin die overvloed op losse schroeven is komen te staan. Slechte vooruitzichten zijn voor niemand leuk. Maar ze zijn ronduit beschadigend voor mensen die niets anders kennen dan tot in de hemel groeiende bomen. Jullie zijn wat de Amerikanen zeggen stuck between a rock and a hard place.

Aan de vooravond van een tweedaags symposium over overvloed, verdient dit duistere dubbelverhaal onze kritische aandacht.

In 2008 vroeg de Franse president Nicolas Sarkozy aan de economen Amartya Sen, en Joseph Stiglitz om nu eens uit te zoeken wat de beste maatstaven zijn voor onze welvaart. ‘Uitzoeken’ is in dit verband meer ‘op een rijtje zetten’. Maar omdat Sarkozy het vroeg, en dan ook nog aan twee geleerden van wereldniveau, kreeg het rapport van de Commission sur la Mesure de la Performance Économique et du Progrès Social toch nog enig gewicht.

De commissie noemt acht factoren die bijdragen aan een goed leven van de mensen in een land. Gezondheid. Onderwijs. Persoonlijke activiteiten. Politiek & bestuur. Sociale relaties. Milieu. Persoonlijke veiligheid. Economische zekerheid.

Stel je een land voor dat op al die punten voldoende scoort, zeg een zeven-en-een-half op een schaal van tien.

In dat land genieten veel mensen een lang leven in een goede gezondheid. Ieder kind gaat naar school en zit daar het overgrote deel van zijn of haar jeugd op. De inwoners van dat land hebben veel kansen om hun eigen tijd in te delen, tijd, die maximaal voor een kwart besteed hoeft te worden aan werk. De politiek is toegankelijk, zowel in passieve als in actieve zin. Er is weinig corruptie. Vertrouwen speelt een grote rol in sociale en zakelijke relaties. De kwaliteit van de leefomgeving staat onder druk, maar regelgeving en nieuwe technologie zorgen ervoor dat het milieu stap voor stap beter wordt. De kans om het slachtoffer te worden van een misdrijf neemt af. Slachtoffers krijgen ondersteuning. Daders en verdachten genieten rechtsbescherming en rechters zijn onafhankelijk. Tenslotte stijgen de inkomens van de inwoners decennium na decennium. Het stelt een groot deel ervan in staat om huizen te kopen of betaalbaar te huren en naar believen in te richten, auto te rijden, mee te gaan met modetrends en bij vele gelegenheden cadeaus te geven. De kans om dood te gaan door ondervoeding is nul. De onzekerheden van het leven zijn beperkt. De inwoners hebben de ruimte en ze hebben de tijd.

Dit land lijkt als twee druppels water op Nederland. En het is geen toeval dat de politiek in deze crisis niet gaat over het vergroten van de welvaart, maar over het behoud ervan. Duurzaamheid: dat is van links tot rechts het credo, we willen dat het feest voor altijd blijft duren.

Des te meer reden om het vandaag met jullie te hebben over het tweede verhaal, dat van de verwende generatie. Daar weet ik namelijk meer van. Sinds 2011 werk ik aan De Grote Verwenning, een journalistiek onderzoek naar wat de welvaart van Nederland doet met de Nederlanders.

 

2.

Het verhaal van de verwende generatie, en van de eigenschappen die jullie worden toegedicht klinkt vertrouwd: we vertellen het onszelf in Nederland al eeuwen. De Engelse historicus Simon Schama wijdde er een boek aan en noemde het ‚The Embarrassment of Riches’. De Nederlandse titel luidt ‚Overvloed en Onbehagen’. We zijn, zo laat Schama in woord en beeld zien, al sinds het begin van Nederland niet op ons gemak met welvaart.

Hij schildert een jonge natie, die in een periode van een paar decennia zijn eigen identiteit uitvindt, en tegelijk het rijkste land ter wereld wordt. Cultuur en overvloed van de Verenigde Provinciën zijn dan ook niet zonder elkaar te begrijpen. De immense populariteit van verhalen en illustraties van schipbreuken in de zeventiende eeuw komt natuurlijk doordat de welvaart van de natie op zee werd verdiend. Maar die verhalen kregen gaandeweg extra gewicht: een schip werd een metafoor voor het land zelf. En het beeld van een schipbreuk werd een herinnering aan het feit dat de plotselinge rijkdom ook zo weer verdwenen kon zijn. De hartstochten die bij overvloed horen – afgunst, begeerte, luiheid – bedreigden die overvloed immers zelf. Gruwel- en heldenverhalen over zinkende schepen hielpen die hartstochten te reguleren.

Er vergaan bijna geen schepen meer. En de ruimte die het noodlot opeist hebben we drastisch beperkt. Maar het onbehagen met goede tijden is niet verdwenen, het is als het ware meegebakken in ons culturele DNA.

Dat kun je zien aan politici die historische verkiezingszeges halen met de boodschap dat langdurig en intensief‚de broekriem aan halen’ goed is, al is er nauwelijks geen econoom te vinden die het daarmee eens is. Je ziet het aan de groeiende tegenbeweging die je samenvattend de ontwenners kunt noemen. Rijke, hoogopgeleide stedelingen die hun uitgaven expres naar beneden brengen om eenvoudiger te kunnen leven. Die geen babyvoeding uit een potje halen, maar het zelf staan te pureren. Die hun stadstuinen omkatten tot akkerland. Die met andere woorden vrekkigheid hip maken. En op een bepaalde manier is de conferentie waar jullie aan deelnemen er ook een exponent van. Want waarom heet die niet: de toekomst van overvloed. Of wat doen we met onze overvloed?

Let wel: dit zijn dus niet alleen interessante cultureel maatschappelijke symptomen. Pessimisme vormt de onderstroom van politieke bewegingen, partijprogramma’s, overheidsbeleid, bedrijfsstrategie, zaken kortom die jullie dagelijks leven en toekomstkansen direct raken.

In 2010 schreef Frits Spangenberg, oprichter van onderzoeksbureau Motivaction het boek de Grenzeloze Generatie. Dat klinkt een stuk vriendelijker dan A Nation of Wimps, maar hij bedoelt hetzelfde. Zijn boodschap: de grenzeloze welvaartsgroei en de bijbehorende culturele veranderingen hebben de jeugd grenzeloos gemaakt. Het leverde hem bakken werk op als de nieuwe jongerenadviseur van de overheid. Zijn goed vermarkte pessimisme vormt de basis voor jongerenbeleid van de komende jaren.

Met andere woorden: jullie zijn de nieuwe hoofdpersonen in het eeuwenoude verhaal. Dat niettemin springlevend is en bepaalt hoe overheden, bedrijven en jullie eigen universiteiten naar jullie kijken.

Ik denk dat het verhaal geen nieuwe hoofdpersonen nodig heeft. Ik denk dat het verhaal dat we vertellen over onze welvaart zelf aan vernieuwing toe is. Laten we om te beginnen eens kijken naar wat verwenning nu eigenlijk is. En laat ik daarna een voorstel doen voor een ander verhaal over welvaart.

 

3.

Door te grote tederheid of toegeeflijkheid bederven.

Dat is de eerste woordenboekomschrijving van verwennen.

De voorbeeldzin erna luidt: ‘men mag zijn kinderen niet verwennen’. Grote tederheid en grote toegeeflijkheid bederven niet. Maar er komt een punt waarop de rot blijkbaar wel intreedt. En dat punt markeren we met de voltooide vorm van verwennen: verwend.

Zowel het woord toegeeflijk als de voorbeeldzin duiden erop dat vooral kinderen vatbaar zijn voor bedervingsgevaar. In zijn negatieve betekenis kom je het woord ‘verwennen’ vanaf de negentiende eeuw dan ook vooral tegen in pedagogische teksten.

De vraag is wat er zo slecht is aan heel veel van iets goeds. En: wat bederft er precies?

Als een kind net geboren is, kan het niks, en krijgt het alles. Als een kind volwassen wordt, moet het alles kunnen en krijgt het niks meer. Opvoeden is in die zin een combinatie van leren en afleren. Je leert om ‘alles’ te kunnen wat bij een volwassen mens hoort en je leert af dat ‘alles’ in de wereld te krijg is. Het stukje bij beetje afbouwen van de zorg voor een kind is net zo eigen aan het ouderschap als het zorgen zelf. Of iets teveel is van het goede, wordt dus deels bepaald door de tijd die het kind scheidt van zijn of haar volwassen worden. Verwenning voorkomen is daarmee een vorm van verwachtingsmanagement. Als je niet op tijd leert dat een volwassen leven behalve uit tederheid en toegeeflijkheid ook uit hardheid en tegenwerking bestaat, stap je weerloos de wereld in.

Als je een kind teveel van het goede geeft, bied je hem of haar dus om te beginnen de verkeerde informatie. En het kind ‘bederft’ omdat het niet klaar is voor de ellende van het grote-mensen-leven. De stam van bederven, derven, zegt genoeg wat dat betreft: het kind ontbeert een toekomst.

Om verwachtingen te managen heb je eerst verwachtingen nodig. En die verschillen van mens tot mens en van tijd tot tijd. Vandaar dat de juiste opvoeding, en wat verwend is en wat niet, voortdurend ter discussie staan. Illustratief is in die zin de nieuwe uitdrukking ‘te verwend’. Auteur Willem de Jong lanceert het in zijn boek Het verwende kindsyndroom, een titel die op zichzelf al een nieuwe fase van de verwenning inluidt: die van de ziekte. De suggestie is dat verwend niet erg is, en té verwend een probleem. De omschrijvingen van het verwende kindsyndroom – onaangepast, lage frustratietolerantie, geen ‘nee’ accepteren – wijken niet veel af van wat in de negentiende eeuw als verwend werd gezien. Verwennen is tijdloos, alleen het woord slijt. Dat is eerder gebeurd. Voordat ‘verwennen’ de gepaste term werd, was vertroetelen het woord voor bedervende overvloed. Dat heeft zijn waarschuwende betekenis vrijwel geheel verloren.

Kinderen verwennen mag dan tijdloos zijn, de wereld van tekorten waarop de niet-verwennende opvoeding voorbereidt, is dat niet. We zijn de dikke voldoende op de schaal van de Commission sur la Mesure de la Performance Économique et du Progrès Social! Tegelijkertijd is het verwenningsgevaar gedemocratiseerd. Was het in de negentiende eeuw toch vooral een probleem van een kleine elite, inmiddels heeft iedereen de materiële middelen om zijn kinderen te verwennen.

 

4.

Naast de pedagogische betekenis, heeft verwennen in de loop van de tijd ook een neutraler gebruik gekregen. De tweede omschrijving in het woordenboek luidt: te goed doen, met veel zorg en geschenken omringen. ‘Wat heb je me weer verwend met mijn verjaardag!’ is de voorbeeldzin. Deze verwenning hoort bij de volwassen wereld. De verjaardagsgast heeft uitzonderlijk uitgepakt met zijn geschenken, wil de jarige zeggen met bovenstaande voorbeeldzin, maar het gevaar van bederf is geweken.

Interessant is dat in deze betekenis ook zintuigen en lichaamsdelen verwend kunnen raken. Een verwende smaak, de verwende blik, verwende oren, verwende huid: ze zijn gewend aan veel van het goede. Deze verwenning zorgt niet voor bederf, maar geheel positief is haar uitwerking ook niet. De verwende is dan wel hoog geklommen op de ladder van zintuiglijke of artistiek genot, maar genieten van een minder-dan-perfecte muziekuitvoering, maaltijd of bodylotion is lastiger geworden.

Meer dan in de opvoedkundige betekenis van verwennen treedt hier de betekenis van wennen naar voren, namelijk ‘gewoon maken’. Dat is precies wat de ondernemer belooft die zegt: we gaan u verwennen. Hij gaat zoveel van het goede geven dat het gewoon gaat lijken. Het is interessant om te zien welke bedrijven verwenning beloven. Het zijn geen busmaatschappijen, maar wel reisorganisaties. Het zijn geen fysiotherapeuten, maar wel masseurs. Het zijn geen groentewinkels, maar wel restaurants. Vrijetijdsbesteding, uitgaan, de dingen doen die je normaal niet doet: in die niche werkt het blijkbaar om verwenning te beloven.

Via de schemerzone van de massagesalon is het maar een kleine stap naar de derde betekenis van verwennen in het woordenboek: de erotische. Een verwenhuis is een bordeel en daar zijn tederheid en toegeeflijkheid in overvloed. Hoe verschillend ook, de beloftes van het toprestaurant, de wellness-spa en het bordeel hebben een ding gemeen. Ze draaien de normale gang van zaken om. De klant leeft even in een droomwereld waarin niet schaarste de norm is, maar overvloed. Daarom maakt het verwenaanbod zo vrolijk, want je koopt niet alleen overvloed, maar ook de ervaring dat die niet meer ophoudt. De aantrekkingskracht van ‘all-you-can-eat’ formules is niet dat je daar dubbel zoveel kunt eten als in een gewoon restaurant, maar de krachtige illusie dat je een avond doorbrengt in een wereld zonder tekorten.

Het wonderlijke is, ik zeg het nogmaals, dat veruit de meeste Nederlanders allang in een wereld zonder tekorten leven.

En dat de verwenning zelf veel gewoner is dan de vrijetijdsindustrie suggereert. We wennen immers voortdurend aan onze dagelijkse porties van het goede; en het is altijd tijd voor iets beters. Dat is de kern van het hedendaags consumeren. We selecteren de juiste (‘beste’) artikelen, die gebruiken we, we wennen aan de gunstige uitwerking ervan, we raken verwend en werpen ons weer in een nieuw selectieproces. Dat strenger is geworden, want zo gewoontjes als de vorige keer, dat willen we niet meer. ‚Je laten verwennen’, of ‚jezelf verwennen’: dat zijn formules uit een slim spel tussen aanbieder en afnemer. We doen alsof we in een wereld van schaarste leven, waardoor de overvloed exclusiever lijkt.

Dus ja. Jullie zijn verwend. Maar dat zijn we allemaal. Allemaal hebben we deel aan de grote verwenning. En: we zijn in denial. We doen alsof we met grote tekorten leven. Dat komt omdat we bang zijn dat overvloed zich in de staart bijt – al sinds de 17de eeuw denken we te weten dat het genotzuchtig en lui maakt. Maar de omarming van de schaarste zorgt er ook voor dat we kunnen blijven genieten. We doen alsof we tekort komen, om onszelf periodiek te kunnen verwennen.

 

5.

Elke samenleving vertelt sprookjes over zichzelf, dat hoort erbij. Maar er zijn grenzen en ik vind dat weleens gedaan mag zijn met het sprookje over onze wereld vol tekorten.

Een aantal vragen dringt zich op. Hoe kunnen we voor onze welvaart zorgen en haar tegelijk in de ogen kijken? Hoe kunnen we over overvloed nadenken als een middel, en niet als doel? En hoe klinkt een nieuw verhaal over onze welvaart?

Laten we deze conferentie nu eens gebruiken om een eerste antwoord op die vragen te bedenken. De gasten die het bestuur heeft bijeengebracht passen daar uitstekend bij.

En laat mij tot slot al een ingrediënt aandragen voor zo’n nieuw verhaal. Namelijk: ruimte.

Sinds 1945 is de Nederlandse bevolking 1,7 keer groter geworden. De ruimte die die bevolking nodig heeft is 4 keer groter geworden. Nederland is vol geworden, daar is zeker wat voor te zeggen. Maar de Nederlanders zelf hebben veel meer ruimte gekregen. Gezinnen van vier wonen in huizen die bedacht zijn voor acht. Bijkeukens hoorden ooit bij boerderijen, ze zijn nu standaard Vinex. Kinderen slapen alleen. Ouders hebben eigen ruimte nodig.

Wat nu, bedacht ik me toen ik dat gegeven tot me door liet dringen, als niet verwenning, luiheid of geluk het grote welvaartseffect is, maar ruimte.

Welvaart maakt ruimte. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Als je geen structurele zorgen hebt over je inkomen, over de klappen van het noodlot, ontstaat er ruimte in je hoofd. Als je leven vergemakkelijkt wordt er ontstaat ruimte in je dagelijkse routine. Opgroeien in overvloed maakt je wereld niet kleiner, maar groter. Ik zie dat aan mijzelf in vergelijking met mijn ouders. Ik zie dat aan jullie in vergelijking met mijzelf. En ik zie het aan mijn eigen kinderen.

Het is die mentale ruimte die we nog eens nodig gaan hebben. Om te beginnen om onze welvaart te behouden, maar nog meer om onze leefwereld en die van anderen, waaronder onze kinderen, gezonder te maken. En mogelijk om de verwenning zelf te lijf te gaan.

Zo bezien zijn jullie inderdaad de grenzeloze generatie. Welkom in de nieuwe Space Age.

Veel plezier!

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties