Gisteren vertoonde De Balie Cinema de film The Kingdom of Survival. Ik leidde die in met deze column. Dagdromers, dat zijn we.

 

The Kingdom of Survival is een diep romantische film.

Romantisch niet in de zin dat het een meeslepend verhaal over sentimentele liefde vertelt. Maar romantisch als in het levensgevoel dat eind achttiende eeuw, begin negentiende eeuw ontstond, en daarna soms als bovenstroom maar voortdurend als onderstroom ons culturele en mentale leven heeft beïnvloed.

De romantiek zit in de verhalen van de hoofdpersonen, die allemaal op hun manier in de contramine zijn. Het zit hem ook in de structuur van de film. Filmmaker A. M. Littler is op zoek, hij wordt voortgedreven door een al jong ervaren gevoel van misplaatstheid. Daar past een roadmovie bij.

The Kingdom of Survival gaat uit van de gedachte dat achter de alledaagse werkelijkheid andere realiteiten schuil gaan. Onzichtbaar voor niet-ingewijden. Kennis ervan is bedreigend voor de status quo. En dus ook omringd door de geur van gevaar. Dangerous minds. Ik zal niks verklappen. Laat u verrassen.

Maar vooral los van de inhoud spreekt The Kingdom of Survival me aan: ik krijg er een kick van, een rush, als er achter het grauwe kleed  van alledag een echtere, betere, waardere werkelijkheid lijkt schuil te gaan. Ik noem het een rush – want het beklemmende, angstig of meeslepende gevoel iets letterlijk te ontdekken, is niet blijvend. Ga maar na. Of die werkelijkheid blijkt er inderdaad te zijn en dan verandert hij na verloop van tijd in nieuwe grijze realiteit. Of het blijkt vals alarm, het blijkt een bekend verhaal, of een slecht verhaal, niet in staat lang te boeien of je leven te transformeren. En dan speelt direct het verlangen op, de craving  naar een nieuwe rush.

Mijn rush is die van iedereen. Daar draait dit en alle andere filmtheaters ter wereld op. We hebben geen zin om naar de film te gaan. We hebben zin om naar een nieuwe film te gaan.

Ik krijg ook een rush van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, althans van zijn boeken. Ook die grossieren in woeste realiteiten die nog niemand was opgevallen.

De Decamerone van Boccaccio is de moeder van de moderne media!

De gasaanvallen in de eerste wereldoorlog vormden de start van het milieuactivisme!

Religie bestaat niet en heeft nooit bestaan, het zijn altijd oefensystemen geweest!

We zijn de nood definitief voorbij in het westen – en dat is tegelijkertijd ons grootste taboe!

Het is die laatste observatie die me al maanden weet bezig te houden. Ik ben nog niet gewend aan de gedachte, blijkbaar. Sloterdijks observatie heeft me aan De grote verwenning doen beginnen, een onderzoek naar wat de welvaart van Nederland doet met de Nederlanders. Je kunt het volgen, op degroteverwenning.net. Ik heb met De Grote Verwenning een doos van Pandora geopend; het levert me we weer een hele hoop nieuwe ontdekkingen met de bijbehorende rush op.

Een van die ontdekkingen wil ik vandaag met jullie delen. De Engelse godsdienstsocioloog Colin Campbell zette me op het spoor ervan, met zijn sublieme boek The Romantic Ethic and the Spirit of Modern Consumerism, 25 jaar oud, maar nog steeds wonderlijk actueel.

Het beeld dat ik net schetste, van mezelf, van ons, als filmkijker, zullen velen herkennen. We kunnen de beschrijving van het bijbehorende mentale proces – van verlangen naar zoeken, naar vinden, naar ondergaan, naar bevrediging, naar nieuw verlangen – schijnbaar eindeloos dupliceren. We bevinden ons de hele dag in verschillende stadia van dat proces. We zijn moderne consumenten en dat zijn we als cultuur.

Hoe is dat zo gekomen?

Waar komt die eindeloze herhaling vandaan, van verlangen naar bevrediging naar verlangen. Waarom zijn we nooit echt tevreden, hoe zijn we terecht gekomen in de allesomvattende zoektocht naar nieuwe ervaringen, nieuwe producten, nieuwe realiteiten, terwijl onze basisbehoeften aan veiligheid en voedsel royaal zijn bevredigd?

Er zijn verklaringen die het aan de aard van de mens wijten. Er zijn er ook die de schuld aan de industrie en het grootkapitaal geven – die planten de verlangens in onze hoofden. Deze laatste verklaring is onlosmakelijk verbonden met de romantische overtuiging dat we onszelf moeten bevrijden.

Colin Campbell voert ons voor zijn verklaring terug naar de achttiende eeuw. En dat is terecht want veel van hoe we nu leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.

De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren.

De achttiende eeuw, dat is de eeuw van de verlichting. de eeuw waarin de rationaliteit, de wetenschappelijke methode, het nutsdenken de boventoon ging voeren. De eeuw waarin de moderne staat, de moderne bureaucratie, de industriële revolutie ontstaan. In de achttiende eeuw startte wat de socioloog Weber zo mooi noemde de onttovering van de wereld. Bepaald niet de periode waarin je het ontstaan van onze moderne verslaving aan kicks zoekt.

Maar parallel aan de onttovering van de wereld begon de ontdekking van onszelf. We ontdekten dat we emoties hebben, dat we ze konden opwekken los van de (on)heilsboodschappen van de kerk. Liefdesromans en Gothic Novels vonden gretig aftrek – we ontdekten dat angst, verdriet en verlangen emoties zijn die lekker kunnen zijn om te voelen. We gingen dagboeken schrijven – de observaties over de restaurants met menukaarten en de trekschuiten die op tijd vertrokken komen uit het dagboek dat Otto van Eck, een veelbelovende jongen uit Voorburg, in 1791 begon. We gingen onze dromen zichtbaar maken, voor onszelf om te beginnen. We ontdekten dat we onze eigen fantasieën konden maken, inclusief de bijbehorende gevoelens.

De eeuw van de rede was daarmee ook de eeuw van de dagdroom.

En bij de dagdromen moeten we zijn.

Want wat doen we als we dagdromen? We stellen ons een andere werkelijkheid voor, een mooiere, betere. Maar omdat we dat bewust doen, kunnen we die vergelijken met de wereld om ons heen. Dus kunnen we fantaseren over de realisatie van die droom. En dat is opwindend – of het nou over seks gaat, of over onszelf, of over onze omgeving: als de belofte van de realisatie van een droom wordt ingelost, krijgen wij een rush.

De eeuw van de dagdroom produceert twee karakteristiek moderne figuren, die beiden specialist worden in het opwekken van opwinding: de romanticus en de consument.

De romanticus, van Jean Jacques Rousseau tot Jimi Hendrix en van de Junge Werther tot Robert Jasper Grootveld, maakt zijn dagdromen tot het centrum van zijn bestaan. Zijn dagdromen laten hem dingen voelen die hij in het dagelijks leven niet zou voelen. Met zijn dagdroom viert de romanticus de creativiteit die voor hem de kern van zijn mens-zijn uitmaakt. De romanticus weet dat hij leeft, door de angst, de craving, de extase die de belofte van de dagdroom met zich meebrengt.

De consument geniet van de dubbele rush – de fantasie dat een droom werkelijkheid wordt en het daadwerkelijk realiseren van die droom. De dagdromen van de consument gaan over hemzelf, hij is de hoofdpersoon in een zelfgeschreven verhaal. En om de rush van de realiteit ervan te ondervinden, zoekt hij bevestiging door de acquisitie van stukjes buitenwereld. Kopen heet dat. Terecht wordt vaak opgemerkt dat de bevrediging van een aankoop vergankelijk is. Dat komt niet doordat dat product verandert nadat je het hebt gekocht, maar omdat de dagdroom nooit helemaal werkelijkheid wordt – en omdat dagdromen maken geen kosten met zich meebrengt. In ons schuilt een dagdroomfabriek die nooit dichtgaat.

Consumentengedrag is niet alleen kopen, het is ook heel veel kijken. Window shopping is een manier om de dagdromen op peil te houden. Dat verklaart ook de centrale rol die mode en trends spelen in onze consumptiecultuur. Want je dagdromen over de liefde kun je in een stedelijke omgeving immers op een eindeloze rij vreemden projecteren. Maar die variëteit moet in het geval van producten speciaal gecreëerd worden. Vandaar de voorjaarscollecties, de zomertrends en de najaarsaanbiedingen.

De romanticus bekritiseert de Industriële revolutie, de consument maakte hem mogelijk. Voor inspiratie voor zijn dagdromen gaat de consument te rade bij de levensstijl van de authentieke romantici – die ernstig neerkijken op dat kopieergedrag. De ware romanticus ontvlucht de materialistische tredmolen. Hun nauwe verwantschap betekent nog niet dat consumentisme en romantiek elkaar makkelijk weten te vinden.

Maar in de tocht van Littler duiken ze samen op. De film heeft niet alleen de stijl, maar ook de structuur van een goede commercial. Het is een tocht naar verlossing, niet in de zin van een stap voor stap verlichting, maar van dagdroom naar dagdroom, van bevrediging naar bevrediging, rusteloos, tot hij zegt thuis te komen. Ik laat het aan jullie over of dat voor de kijker een bevrediging oplevert.

De historisch intieme band tussen consument en de romanticus zegt iets over een vrij recente uitgave van die laatste en dat is de activist. In The Kingdom of Survival worden de hoogtepunten van het moderne activisme mooi aan elkaar geregen: Hippie, Punk en de bloei van de afgelopen jaren. Activisme, als loot aan de romantische stam, komt niet voort uit de behoefte om iets teweeg te brengen, maar uit het verlangen naar de realisatie van een dagdroom. De aanwijzingen daarvoor zijn overvloedig. Activisme is een levensstijl, en het is dan ook niet verwonderlijk dat een beweging als Occupy niet alleen zoveel doelstellingen heeft, maar ook dat de mensen achter Occupy al een heel activistisch CV in de zak hebben – gevuld met de dagdromen van gisteren. Hoe ellendig de politie in veel Amerikaanse steden zich ook gedroeg afgelopen najaar – de beweging had het nodig. De dagdroom Wall Street daadwerkelijk op de knieën te dwingen, kon niet zonder de rush die bij pepperspray en politiehelmen hoort. Activisten hebben het beste met de wereld voor – het zijn hooggestemde dagdromen. Mogelijk zorgt dat voor een extra rush.

Maar het gedeelde dagdromen-DNA biedt ook een ander uitzicht op de moderne consument.

Kritiek op de consumptiemaatschappij komt veelal neer op de afwijzing van het materialistische karakter ervan. Degenen die zich er van afkeren, of het nou fascisten, marxisten, gelovigen of GroenLinksers zijn, bepleiten altijd een post- of antimaterialistisch alternatief. Maar dat is besides the point. Consumptie is nooit materialistisch geweest; het is via onze dagdromen altijd ten diepste verbonden geweest met onze aspiraties, zelfbeelden en idealen. Het kopen van spullen biedt ons het plezier van het tijdelijk en lokaal realiseren van een droom. De kern van ons consumentengedrag is niet de hebzucht, maar de zucht naar de rush.

De werelden van consumptie en activisme beginnen te mengen. De expres lelijke Vrekkenkrant van vijftien jaar geleden is de uitbundig vormgegeven Happinez geworden – postmaterialistische content in een stralend materialistische verpakking. Ik was afgelopen najaar in Washington en Baltimore. Naast het nog kleine Occupy-kampje in de laatste stad zat een Urban Outfitters. De t-shirts, de spray paint, alles was er te koop. Het kamp in Washington was een markt – een markt van dagdromen. In de recente Kony2012-campagne is het onderscheid tussen activist en consument al helemaal verdwenen.

In The Kingdom of Survival wordt niet verwezen naar die ontwikkeling. Maar het is er wel een exponent van.

Koester je rush tijdens het kijken. En wantrouw hem tegelijk.

Met dank aan Dirk van der Straaten, de onvermoeibare filmprogrammeur van De Balie en Chris Pazzaglia.

Advertenties