Mijn vorige post eindigde met een vraag.

“Dat stemming meer en meer een indicator van het welvaren van een samenleving wordt, in plaats van het aantal kinderen dat beter is opgeleid dan hun ouders, de dalende sterftecijfers of de export. Is dat op zich niet een indicator van welvaart?”

Dimitri Tokmetzis van Sargasso daagde me uit om er antwoord op te geven.

Welnu. Ik denk van wel.

Wat de kwaliteit van het leven is, laat zich niet meer uitdrukken in de belangen van de groep (bijvoorbeeld inkomensgelijkheid), of in fundamentele waarden (bijvoorbeeld burgerlijke vrijheden), maar bepalen we tegenwoordig lekker zelf. Dat komt volgens mij door twee dingen.

Aan de ene kant zijn de afgelopen zestig jaar zowel de collectieve belangen als de fundamentele waarden sturend geweest in maatschappij en politiek. En dat heeft gewerkt: er is simpelweg heel veel gelukt. Traditionele verlangens ten aanzien van spreiding van kennis, hoger welvaartsniveau en verheffing van de massa worden natuurlijk minder belangrijk naarmate ze meer vervuld raken.

Aan de andere kant hebben we er nieuwe doelen voor in de plaats gekregen. Maar die zijn meer en meer in de persoonlijke levenssfeer beland. Jouw succes is niet meer het succes van de groep, maar van je eigen loopbaan. De waarden aan de hand waarvan je je leven vormgeeft, zijn je eigen, individuele waarden geworden. En dus ontlenen we vaststellingen omtrent hoe goed het gaat, eerder aan persoonlijke ervaringen dan aan externe doelen.

Stemmingsaggregaten en totaalhumeuren, of die nu uit de koker van het SCP komen of zijn gedistilleerd uit miljoenen tweets, maken van al die woeste subjectiviteit weer een overzichtelijk verhaal.

Dat we onze stemming steeds belangrijker vinden, is dus een goed teken: wat een geweldige materiële successen hebben we toch geboekt! En wat zijn we mooi onszelf aan het worden! De vraag is wat we moeten met het feit dat die stemming desondanks vaak negatief is.

Advertenties