Schrijver Marcel Möring publiceerde een essay in de Groene Amsterdammer (betaald, rotkapitalisten daar), over welvaartsverslaving en over geld-maken-met-geld. Ik schreef een repliek, in ingekorte versie te lezen op de Groene-site en in de papieren Groene van deze week. Hieronder de volledige tekst.

Marcel Möring is gegrepen door een van de grote vragen van deze tijd: wat gaan we doen met onze Westerse welvaart en met de mentale erfenis ervan? Gelijk heeft hij; het is stof voor grote politiek en grote kunst.

Helaas overheerst de verwarring nog bij Möring, althans dat is de indruk die hij wekt met De glinsterende prijzen (Groene van 12 januari 2012). Met name zijn beschrijving van kapitalisme en van de moderne consument zijn wonderlijk gebrekkig.

Om met het eerste te beginnen: Möring stel het kapitalisme gelijk met speculeren met geld. Dat is inderdaad een onderdeel van de economie dat met name de afgelopen decennia geweldig is gegroeid – vandaar zijn bijziendheid waarschijnlijk.

Maar Nederland heeft zijn inkomen helemaal niet grotendeels te danken aan ‘geld maken met geld’, maar met marge op inkoop pakken. Met waarde toevoegen aan grondstoffen en halffabrikaten. Nederland dankt zijn inkomen kortom aan het steeds maar meer willen van consumenten, in eigen land en elders op de wereld. Het is onbegrijpelijk hoe Möring erop komt dat kapitalisme geld-met-geld-maken is. Hij woont nota bene in Rotterdam – daar zingt heel het landschap handel en productie!

Met dat geweldige inkomen hebben de Nederlanders een wereld aan welvaart gecreëerd. Opvallende elementen daarin zijn toegankelijke hoogwaardige gezondheidszorg, een enorm onderwijssysteem, waarin iemand gemiddeld 16,7 jaar naar school gaat en een uitgebreid economisch vangnet, dat de klappen dempt die de markt en het leven uit kunnen delen.

Het aardige is dat onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding precies de drie agendapunten waren van de nieuwe regering na de Bataafsche Opstand. Möring heeft dus groot gelijk als hij het ontstaan van onze moderne eigenheid in de achttiende eeuw situeert. Onze erfenis is echter veel meer die van zeer pragmatische en licht humanistisch begeesterde handelslieden dan van cynische grootkapitalisten.

Zonder het inkomen, dat we hebben gecreëerd door groei, kunnen we die welvaart niet handhaven. Tegelijkertijd ontdekken we gaandeweg de eindigheid van de bronnen van die groei: grondstoffen, energie, land. Aan de vraagstukken die daaruit voortkomen wijden eminente economen hun carrière. Gelukkig maar, want het is een van weinige echt grote problemen van onze toekomst.

Möring is in ieder geval optimistisch. Hij denkt ‘dat we tevreden kunnen zijn met wat we hebben, in plaats van altijd maar bezig te zijn met wat we kunnen hebben’. Ik denk dat niet, voornamelijk omdat er verduiveld weinig aanwijzingen voor zijn. Er zijn veel verklaringen voor de noodzaak tot economische groei. Dat het de maatschappelijke woede over ongelijkheid in toom houdt. Dat het economie stabiel maakt. Dat het in de aard van de moderne mens zit om steeds omhoog te willen.

Maar er is geen enkele verklaring die de wens tot groei verklaart uit een gebrek aan zelfdiscipline, uit de verkeerde afkicktactiek. De krachten achter economische groei verhouden zich namelijk op geen enkele manier tot de lifestylekeuzes van de hoogopgeleide elites in Noordwest Europa – en dat bedoel ik niet als jij-bak.

Het is noodzakelijk dat ook kunstenaars zich met de toekomst van onze welvaart bemoeien. Verwarring is daarbij onvermijdelijk en mogelijk zelfs vereist. Maar dan wel in een roman.

Advertenties